
Oh, Omringdijk, oh Omringdijk,
hoe rees je hier, eens uit zee omhoog
al te broos, maar toch zo fier.
Hoe bracht jij, gestoeld op wier en slijk,
met ieder ontij angst voor mens en dier.
Als ’t machtig water op woeste hoogte,
met volle kracht en onbeteugeld
jou bracht op het punt van breken,
en zich stortte in diepe droogte
warme stallen vullend met koele kreken.
Ja, menigeen die hier ’t leven liet
naamloos aan jouw brakke voeten.
Maar de prijs die zij betaalden,
de wil te overwinnen als krediet,
was het, die ook jouw lot bepaalde.
Want al wat na een ramp nog restte
was moed, moed bijeenvergaard
door brave borsten, die niet zwichtten,
en die ten lange leste
al jouw gaten eeuwig dichtten.
Moegestreden neergevleid,
lig je met gehavend lijf
nu verloren in dit land
ver van zee en uit de tijd
met kool en vee aan alle kant.
En vandaag zijn je droge wielen,
die zo stil getuigen
van die vaak verloren strijd,
voor al die arme zielen
monument van hun vergetelheid.
Kees Kraakman ©2000